
Op deze en andere bladzijden gaan we dieper in op de enkele belangrijk
kenmerken van railvervoermiddelen als cultuurhistorische
objecten. Aan de orde komen vragen als:
- Waar diende het object voor? Dit is een vraag naar de functie
van het object. In de geschiedenis van het transport is dat vaak
een vraag naar wat er mee vervoer werd en waarom.
- Hoe werkte het object? Dit is een vraag naar de techniek
van het object. In de geschiedenis van het transport is dat vaak
in de eerste plaats een vraag naar hoe het object werd voortbewogen.
- Hoe werd het object in elkaar gezet? Welke materialen werden gebruikt,
welke bouwtechnieken toegepast? Dit is een vraag naar de bouwwijze
van het object.
- Hoe zag het object er vroeger uiteindelijk uit? Welke kleuren
en vormen werden gebruikt? Dit is een vraag naar de vormgeving
van het object.
Op deze bladzijde gaat het over de bouwwijze van railvervoermiddelenOp
dit moment bestaan hierover de volgende paragrafen:
- Buitenlandse locomotiefbouw
- Bouw van railvervoermiddelen in Nederland
Buitenlandse locomotiefbouw
Locomotieven werden door Nederlandse spoor- en tram-bedrijven zowel
in het buitenland als in eigen land besteld. Elk land kende zo zijn
eigen tradities in de bouwwijze van locomotieven.
Een aantal Nederlandse spoorwegmaatschappijen, met name de "Nederlandsche
Rhijnspoorweg-Maatschappij" (NRS) en en de "Maatschappij
tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS), liet hun locomotieven
voornamelijk in Engeland bouwen. De grootste leverancier
was de firma Beyer Peacock in Manchester. Maar er werd ook een groot
aantal locomotieven bij Sharp Stewart in het Schotse Glasgow afgenomen.
Hierdoor kreeg het Nederlandse spoorweg-materieel in de tweede helft
van de negentiende eeuw een uitgesproken Engels karakter. Kenmerkend
voor de Engelse locomotieven was de aandrijving tussen de wielen
en daarnaast de fraaie vormgeving.
Toen de spoorlijnen in breedte veranderden
(van breedspoor naar normaalspoor), ging de "Hollandsche IJzeren
Spoorweg Maatschappij" (HSM) in zee met een locomotieffabriek
in Duitsland, Borsig in Berlijn. Gedurende 23 jaar werd
deze fabriek de leverancier van locomotieven voor de HSM. De Duitse
locomotieven waren duidelijk te herkennen: zo hadden de ze houten
machinistenhuizen, terwijl de aandrijving zich meestal buiten de
wielen bevond.
Bouw van railvervoermiddelen
in Nederland
Het bouwen van locomotieven gebeurde in Nederland, zeker
in de beginperiode, slechts op beperkte schaal. De locomotiefbouw
ging namelijk vaak samen met de zware industrie, die in ons land
minder voorkwam dan in de ons omringende landen. Vandaar dat veel
railvoertuigen in Engeland, Duitsland en België gebouwd werden.
Rijtuigen en wagens werden vaak meestal wel in eigen land vervaardigd.
Er waren verschillende fabrieken voor spoor- en trammaterieel in
ons land. De grootste fabriek was wel Werkspoor met vestigingen
in Amsterdam en Utrecht. Belangrijk waren verder Beijnes in Haarlem
en Allan in Rotterdam. Tenslotte moeten nog de Machinefabriek Breda
in Breda en de firma Ducroo & Brauns in Weesp (later Amsterdam)
genoemd worden.
|